donderdag 31 augustus 2017

Het zijn de kleine dingen die het doen

Mw. Klein heeft dementie. Een intelligente dame van 74 jaar die al mopperend duidelijk maakt wat ze wil, maar vooral wat ze niet wil. Ze komt één dag in de week naar het dagactiviteitencentrum. Ze komt vrolijk binnen en gaat vrolijk naar huis, maar in de tijd tussen aankomst en vertrekt moppert ze er vrolijk op los. 



Het is buiten 30 graden en binnen is het bijna net zo warm. Niet echt een middag om inspannende activiteiten te doen. We doen rustig aan, lezen uit de krant, vullen met elkaar de kruiswoordpuzzel in, zingen liedjes en kletsen over alledaagse onderwerpen. Allemaal mensen met dementie aan tafel en elk doet op zijn/haar eigen manier mee aan het gesprek. Sommigen vallen in slaap. Ligt natuurlijk aan de warmte.

Het gesprek gaat over ijs. Niet zomaar ijs, maar echt Italiaans ijs. Dat is pas ijs. Als ik vraag wanneer ze voor het laatst ijs gegeten hebben dan weten ze dat niet meer, maar dat ze het lekker vinden weten ze nog wel. De smaak van het ijs ligt vast in hun herinnering. 
Mw. Klein zegt 'Ik kan me niet meer herinneren wanneer ik voor het laatst Italiaans ijs gegeten heb. Ik denk dat het jaaaaaaren geleden is'. 

Dan krijgen mijn collega en ik het idee om Italiaans ijs te gaan halen. Even op de telefoon de dichtstbijzijnde Italiaanse ijssalon opzoeken. Die blijkt dicht in de buurt te zijn. 
We bekijken welke smaken ze hebben, dat zijn er heel veel. De keuze is reuze. Ook een heleboel smaken die voor mensen met dementie vreemd zijn. Wat te doe? gaan we voor vertrouwd (vanille of chocolade) of gaan we voor een wat vreemdere smaak?We wagen het erop en kiezen voor de combinatie appeltaart, kaneel en speculaas.  

Als mw. Klein hoort dat wij van plan zijn om voor iedereen ijs te gaan halen vergeet ze te mopperen. 'Wat doen jullie toch veel moeite om ons een fijne dag te bezorgen' zegt ze welgemeend.
Ik vraag haar hoeveel bolletjes ze wil, een, twee of drie? 'Dan wil er drie' zegt ze. 

Mijn collega gaat op pad en komt een half uurtje later terug met voor iedereen een bakje ijs met drie bolletjes en een wafel. 

Mw. Klein kijkt verliefd naar haar ijs 'Oh wat een feest!'. Ze gaat er goed voor zitten en eet langzaam, volop genietend haar ijs op. De nieuwe smaken vallen goed. Elke keer als ze een paar happen verder is kijkt ze me aan en zegt ze 'wat een verwennerij he?, jullie zijn fantastisch. Bedankt!' 'geen dank hoor, we doen het met liefde' geef ik als antwoord. Als ze me dan aankijkt zie ik tranen in haar ogen. 'Ik kan wel huilen, zo blij ben ik' zegt ze.
Mijn collega en ik kijken elkaar begrijpend aan. Geen woorden nodig.

Als ik later mw. Klein naar de bus begeleid knijpt ze me even in mijn arm en zegt 'Bedankt voor het ijs, jullie weten niet hoe blij ik daarmee ben. Tot volgende week, dan kom ik weer.'.

'Tot volgende week mw. Klein.'

Het zijn de kleine dingen die het doen..........



Monika Eberhart 




donderdag 24 augustus 2017

Het is poep, het is pies en dat is best wel vies

Ze is ergens begin 70 en heeft gevorderde dementie. Ze weet niet meer wanneer ze naar het toilet moet, ze herkent dat gevoel niet meer. Na het middageten help ik haar, zoals gewoonlijk, naar het toilet om te plassen. Vandaag verloopt het echter anders dan normaal. 


Ik mag haar Lotte noemen en hoef geen mevrouw te zeggen. Dat vindt ze niet fijn. Ze luistert ook beter naar Lotte dan naar mevrouw. 
Na het middageten helpen wij Lotte altijd naar het toilet. Vandaag was dat niet anders. Ik geef haar een hand en vraag of ze mee wil gaan. 'Waar gaan we heen?' vraagt ze op een onrustige toon. 'Naar de w.c. om te plassen" geef ik als antwoord. Hand in hand lopen we naar de w.c. Ik doe de deur open en ze vraagt 'moet jij?'. 'Nee, ik hoef niet. Jij mag even gaan plassen als je moet'. Ze wijst naar haar broek en met haar blik vraagt ze of ze die naar beneden moet doen. Ik knik 'doe maar naar beneden'. Ze kijkt om zich heen. Ze lijkt zich af te vragen waar ze moet gaan zitten. Ik snap dat wel.
Wij werken hier met mensen met gevorderde dementie en op die w.c. is alles wit, spierwit. De pot is wit, de bril is wit, de steunen zijn wit, de kast is wit, de muur is wit, de wastafel is wit, de wasmand is wit...... Gelukkig is de vloer lichtgrijs. Dat is dan ook meteen het enige dat een andere kleur heeft. Waarom heeft niemand bij de inrichting van dit toilet bedacht dat mensen met dementie kleurcontrasten nodig hebben om voorwerpen te herkennen? Na ja, het heeft geen zin om daar nu moeilijk over te doen. Het is zoals het is.

Ik help Lotte om op de w.c. te gaan zitten. Ze werkt een beetje tegen en kijkt me angstig aan. Ik houd haar twee handen vast en zeg dat ze kan gaan zitten, dat ik haar vasthoud. Ze gaat zitten. 
Normaal gesproken komt de plas vrijwel meteen, maar niet deze keer. Lotte wiebelt onrustig heen en weer en gaat met haar hand tussen haar benen. Ze grijpt naar achteren en zegt' daar is het'. Ik heb niet meteen in de gaten wat ze aan het doen is. 'Houd maar niet vast, leg je hand maar op je been'. Ze begint op haar buik te duwen en laat me haar schaamhaar zien. Ze trekt aan de haartjes. 'Dat is je schaamhaar Lotte, laat dat maar zitten. Dat zit vast'. Ze gaat weer met haar hand tussen haar benen naar achteren.

Photo by Logan Ripley 
Opeens ruik ik iets. Poep! Lotte's hand komt weer tevoorschijn en er zitten donkere sporen op haar vingers. 'Daar, dat' zegt ze. 'Ik zie het Lotte'. Snel trek ik rubberen handschoenen aan en pak ik Lotte haar hand. Ik maak deze alvast schoon met een nat doekje. Lotte schuift heen en weer op de bril en wil weer gaan staan. 'Blijf nog maar even zitten Lotte, ik denk dat je nog niet klaar bent' zeg ik zo rustig mogelijk. Ik draai de kraan van de wastafel open in de hoop dat ze daardoor gaat plassen. Het lukt. Lotte kijkt tussen haar benen en ontspant. Ze kijkt me droevig, vragend en opgelucht tegelijk aan. 'Het is goed Lotte. Je hebt het goed gedaan. Kom maar staan' zeg ik. Lotte staat op. De bril is niet meer wit en de billen van Lotte zijn besmeurd met ontlasting. In rap tempo maak ik de washand nat met warm water. Ik moet snel zijn want Lotte begint aan haar billen te krabben. Het lijkt te jeuken. 
Terwijl ik haar billen schoonmaak blijkt Lotte nog niet klaar te zijn met het breien van de bruine trui. Een deel komt terecht in mijn hand. Lang leve de handschoen! 
Terwijl ik met mijn neus dicht bij de ongewenste geur hang om Lotte's billen schoon te maken moet ik opeens kokhalzen. Net op dat moment hoor ik Lotte zeggen: 'Ik vind jou lief'. Perfecte afleiding, het kokhalzen houdt meteen op.
Als Lotte weer schoon en fris is vraag ik aan haar of ze haar handen wil komen wassen. Ze weet niet waar ze dat moet doen. De wastafel is wit en Lotte lijkt de wastafel niet te herkennen. De kraan is al helemaal onmogelijk te bedienen. Een moderne kraan met een grote hendel die van links naar rechts gaat. Ik pak haar handen en begeleid ze naar de kraan. Ik doe wat zeep op haar handen en op die van mij. Samen wassen we onze handen. We staan heel dicht bij elkaar, tegen elkaar aan. Opeens op een onverwacht moment krijg ik een kus op mijn wang. Lotte leunt even met haar hoofd tegen mijn schouder en zegt: 'Lief'. Ik smelt.


Handen afdrogen gaat op dit moderne toilet ook niet vanzelf. Het witte vierkante apparaat dat aan de muur hangt is vreemd voor Lotte. Ik trek er een aantal witte papieren vellen uit en droog daarmee Lotte haar handen. Ik controleer meteen haar nagels, of ze nog wel wit zijn. 
Poep en pies. Het is allebei vies, helemaal als het van iemand anders is. Ik zal aan dit deel van werken in de zorg nooit wennen, maar zolang ik in de zorg werk zal ik het blijven doen. Voor Lotte en alle andere mensen met dementie die mijn hulp nodig hebben.

Lotte volgende week gaan we weer samen naar de w.c. 

Monika Eberhart

P.S. Meneer Rutte, komt u ook een dagje helpen? 

dinsdag 8 augustus 2017

Diep geraakt, diep getroffen

Vandaag las ik mijn gedicht "Als" voor op mijn werk. Ik werk met mensen met dementie en zij zijn mijn inspiratiebron. Het gesprek vandaag ging over gedichten. Mevr. X vertelde dat ze vroeger veel gedichten uit haar hoofd moest leren en ze wist er nog een paar op te zeggen. Prachtig om te horen hoe ze op haar 93ste nog zoveel gedichten uit haar hoofd op kon zeggen.  


Terwijl we aan het kletsen waren over gedichten vertelde ik haar dat ik zelf ook gedichten schrijf. Ze vroeg of ik er een voor kon lezen. Even was ik in twijfel, was het wel verantwoord om gedichten over dementie voor te lezen aan mensen met dementie? Uiteindelijk vond ik dat ik het gewoon moest doen, ik zou wel zien wat voor effect het zou hebben.

Ik schraapte mijn keel en probeerde zo duidelijk mogelijk voor te lezen (mevr. X is slechthorend).


Klik op afbeelding om te vergroten


Toen ik klaar was met lezen en van mijn blaadje opkeek zag ik tranen in de ogen van mevr. X. Ze probeerde haar tranen tegen te houden. Ik liet haar eventjes bijkomen.  Ze zei: Wat prachtig! Wie is de schrijfster? Ik vertelde haar dat ik het geschreven had (dat was ze door de dementie weer vergeten). Ze wilde weten of ik nog meer gedichten geschreven had en of ik die dan ook eens voor wilde lezen. Ik beloofde haar om dat volgende week te doen.  

Naast me zat mevr. Y. De tranen biggelden over haar wangen. Met een zakdoek depte ze haar ogen onder haar bril droog. Ik sloeg mijn arm om haar heen en hield haar even vast. Ik bood mijn excuses aan omdat ik haar aan het huilen had gemaakt. Ze zei dat het niet nodig was om sorry te zeggen. Ze herkende zichzelf in mijn woorden en zei dat ik haar gevoel niet beter had kunnen verwoorden. Ze bedankte me voor de herkenning van haar gevoel. Daarna keek ze me aan en waren verdere woorden niet nodig. 

Nu was het mijn beurt om even te slikken. Een groter compliment kon ik niet krijgen. En dat van de mensen die mijn inspiratiebron zijn. 

Monika Eberhart 


vrijdag 28 juli 2017

Waarom werk ik eigenlijk in de zorg? Is het uit empathie of uit egoïsme?

Ik werk in de zorg, met mensen met dementie, en ik doe het met liefde en plezier. Laat dat als eerste gezegd zijn. Ondanks dat vraag ik me wel eens af waarom ik het eigenlijk zo leuk vind om met mensen met dementie te werken. Is dat omdat ik zo'n geweldig empathisch vermogen heb? of gewoon uit egoïsme omdat het mijn ego streelt? 


Ooit werd ik na mijn middelbare school aangenomen voor de opleiding ziekenverzorgende in een ziekenhuis in Den Haag. Twee weken voor ik zou starten bedacht ik dat ik helemaal geen zin had om op zaterdag en zondag te werken. Ik heb toen de opleiding afgeblazen en ben gaan werken als huishoudelijke hulp in de thuiszorg. Hoefde ik alleen maar van maandag t/m vrijdag en ook nog eens halve dagen. Ideaal! (vond ik toen). 

Na jaren werken als huishoudelijke hulp heb ik toch voor de opleiding verzorgende gekozen. Eerst IG en daarna MMZ. Werken in het weekend vond ik inmiddels geen probleem meer en wisselende diensten was ook prima.

Vanaf mijn allereerste werkdag heb ik met mensen met dementie gewerkt, het is gewoon op mijn pad gekomen zonder dat ik daar bewust voor gekozen heb. Blijkbaar was er iets waardoor ik geschikt was om met deze doelgroep te werken.

Na al die jaren werken met mensen met dementie vraag mij af wat mijn drijfveer is. Waarom kies ik ervoor om met mensen te werken die soms elke drie minuten dezelfde vraag stellen? Die niet meer weten hoe het toilet werkt en muren en deuren met ontlasting besmeuren. Die niet meer willen eten omdat ze niet weten hoe het moet. Die honderd keer per dag de code van de deur proberen in te toesten omdat ze naar huis willen. Mensen die mij wanhopig en smekend aankijken en lijken te vragen of ik hun zorgen weg wil nemen.
Hoe kan het dat ik elke keer weer het geduld heb om elke drie minuten antwoord te geven op steeds weer dezelfde vraag? Als thuis een van mijn dierbaren een vraag stelt die mij irriteert reageer ik vaak onredelijk. Niks geduld. Maar bij mensen met dementie lijkt het wel of ik een ander mens ben. En als mijn geduld wel eens opraakt (ik ben ook maar een mens) dan kan ik mezelf redelijk snel herpakken. Beetje humor hier en een beetje muziek daar en ik heb weer energie.

Het kan toch niet alleen maar empathie zijn die ervoor zorgt dat ik engelengeduld heb? Ik denk dat zorgen voor mensen met dementie ook ergens mijn ego streelt. Het feit dat ik in staat ben om de persoon met dementie gerust te stellen en blij te maken doet meer met mij dan met die ander. Het geeft een gevoel van onmisbaar zijn en blijkbaar is dat een lekker gevoel.
Het is een soort macht die je voelt (in de positieve zin). De ander is afhankelijk van mij om zich goed te voelen en dat zorgt er dan weer voor dat ik me goed voel.

Ze zeggen wel eens dat werken in de zorg een roeping is en dat het altijd met liefde gedaan wordt. Is dat zo? Ja dat is zo, maar ik denk dat het ook een stukje egoïsme is. Niet omdat je dan lekker veel geld verdient (dat is alleen weggelegd voor de CEO's) maar omdat het zo lekker voelt om nodig te zijn. Dat blije gevoel dat je krijgt als je de ander met kleine dingetjes gelukkig maakt, daar doe je het voor.

Dus om te kunnen werken in de zorg, met name de zorg voor mensen met dementie, moet je empatisch zijn en ook een beetje egoïstisch. Het moet je iets opleveren anders houdt je het niet vol. Niemand wil iets voor een ander doen zonder er iets voor terug te krijgen. Van mensen met dementie krijg je vooral heel veel dankbaarheid terug. Dankbaarheid die je moet kunnen zien omdat ze het niet altijd uitspreken. Dus je moet ook goede ogen hebben. Sterker nog, je moet goed werkende zintuigen hebben. Vaak communiceer je met mensen met dementie via je zintuigen.

Hoe dan ook.....






Monika Eberhart

Photo by Jake Thacker on Unsplash



donderdag 6 juli 2017

Als je in mijn land bent dan moet je mijn taal spreken


Ik reisde laatst weer eens met de trein. Het was een korte rit van ongeveer 20 minuten.
Het leuke aan de trein is dat je meer meemaakt dan wanneer je alleen in de auto aan het reizen bent. Zo ook deze keer. 




De trein staat stil op een tussenstation op weg naar mijn eindbestemming. Ik kijk naar buiten en zie daar een jonge dame staan die op het punt staat in te stappen. Ze komt bij mijn stoel staan en vraagt of ze daar mag zitten. Ze vraagt het in het Nederlands dus ik ga er vanuit dat ze de taal spreekt. Natuurlijk mag ze daar zitten. 

Aan de overkant van het gangpad, aan haar kant (ik zit bij het raam) gaat een oudere heer zitten. 
Als we weer gaan rijden begint dhr. met de jonge dame te praten, in het Spaans. Ik maak eruit op dat ze elkaar al op het perron gesproken hebben. Hij legt aan haar uit dat ze op Rotterdam Centraal uit moet stappen en dat ze daar met de snelle trein verder kan reizen naar Amsterdam. Ze bedankt hem hartelijk voor zijn hulp. 

Na een paar minuten stilte begint dhr. weer te praten. Hij vertelt aan de jonge dame dat hij uit Suriname komt en dat hij het zo leuk vindt om met mensen te kletsen in het Spaans. Dit omdat hij de taal in schrift zo goed beheerst, maar praten lastiger is en hij dat wil oefenen. Persoonlijk vind ik dat hij het prima doet. 
De jonge dame luistert naar zijn relaas over zijn leven en knikt af en toe instemmend. Hij vertelt haar dat hij altijd de taal spreekt van het land waarin hij zich bevindt. Hij vertelt er niet bij om welke landen het gaat. Als opgroeiend kind in Suriname heeft hij in ieder geval Nederlands, Spaans en Engels geleerd. 
Dhr. legt aan het meisje uit dat het belangrijk is om je aan te passen aan het land waarin je leeft. Dat je dus Nederlands moet leren als je in Nederland bent en b.v. Spaans als je in Spanje bent. (arme Nederlandse toeristen, die komen vaak niet verder dan una cerveza por favor). 

De jonge dame blijft beleefd antwoord geven, wel zo kort mogelijk. Ik krijg het idee dat ze niet zoveel behoefte heeft aan een uitgebreid gesprek, ze wil vooral contact maken met de wifi in de trein maar uit beleefdheid laat ze haar telefoon op haar schoot liggen. 
Dhr. laat haar nogmaals nadrukkelijk weten dat je altijd de taal moet leren van het land waarin je woont en dat je die taal dan moet spreken. Hij zegt dat ze Nederlands moet leren. 

Na weer een korte stilte zegt hij "Waarom spreek je geen Nederlands als je in mijn land bent?" De jonge dame kijkt hem wat onzeker aan en na enig aarzelen zegt ze "I am a tourist here, this is my third day in The Netherlands".
  
Toen werd het wat langer stil. 

Ik fluisteren in haar oor:" Holandes is muy difícil y acá todo el mundo habla Ingles". Ze glimlacht. 



Monika Eberhart 

Photo by Soroush Karimi on Unsplash

donderdag 4 mei 2017

Dodenherdenking, we moeten blijven herdenken

Vandaag ben ik voor het eerst van mijn leven aanwezig geweest bij een dodenherdenking. Ik woon al ruim 36 jaar in Nederland, maar had nooit de moeite genomen om naar een herdenking te gaan. Vandaag dus wel en ik was onder de indruk. 


Je kunt elk jaar de dodenherdenking op televisie kijken en twee minuten stil zijn, maar vandaag ben ik erachter gekomen dat als je met een grote groep mensen samen herdenkt dat je dan pas echt voelt wat er herdacht moet worden. Of wat je zelf wilt herdenken. 


Het was mooi om te zien, al die verschillende soorten mensen met hetzelfde doel op een plek bij elkaar. Zwart, wit, geel, met en zonder hoofddoek, jong, oud, groot, klein, alles was vertegenwoordigd. Niemand is anders, we zijn allemaal gelijk. 

Tijdens de twee minuten stilte maakt mijn brein in rap tempo een tijdreis en vervolgens een wereldreis. Eerst ga ik naar een tijd waarin ik nog niet bestond, de jaren veertig. Een tijd waarin zes miljoen Joden vermoord werden door medemensen. Ik ben een gelukkig mens dat ik niet in die tijd geleefd hebt. Meteen daarna zie de oorlogen en ruzies in het Midden Oosten voor me, de ellende in Syrië, de drama's in verschillende Afrikaanse landen, de beperkingen in Turkije, de opstand in Venezuela. Teveel plekken, teveel ellende, ik wil ze liever niet allemaal bezoeken.

De twee minuten zijn om. 



Na de stilte klinkt het Wilhelmus. Ik voel tranen opkomen. Waarom raak ik toch altijd ontroerd als ik het Wilhelmus hoor? Ik kan het eerste couplet goed meezingen, maar als het tweede couplet begint haak ik af.  Geen idee wat ze aan het zingen zijn. Tot overmaat van ramp kent de mevr. naast mij de hele tekst foutloos! Dan maar de melodie op me in laten werken. Voor 4 mei 2018 zorgen dat ik het tweede couplet ook ken.



De hele herdenking duurt zo'n half uurtje. Een half uurtje per jaar stil staan bij alle oorlogsslachtoffers sinds de tweede wereldoorlog (niet echt veel). Niet alleen de slachtoffers van toen maar dus ook van alle oorlogen daarna en van de oorlogen die nog actueel zijn herdenken.

Dagelijks vallen er doden ten gevolge van oorlog en ruzies. En het meest trieste is dat het mensen zijn die het elkaar aandoen. Mensen die na kunnen denken over wat ze doen, maar die blijkbaar ergens op hun levenspad hun geweten kwijt geraakt zijn en vinden dat je met oorlogvoering kunt krijgen wat je toekomt. 





Nu zit ik thuis in mijn kleine knusse huisje. Kaarsjes aan, een warm kopje thee en mijn laptop op mijn schoot om mijn verhaal te tikken. 

Wat een rijkdom. Je hebt niets nodig, als je vrijheid hebt dan ben je rijk, heel rijk.

Ik voel een golf van warmte door me stromen. Ik ben een gelukkig mens, ik mag leven in een land waar vrede is en waar ik de vrijheid heb om mezelf te zijn. 

Ik heb een dak boven mijn hoofd, stromend water uit de kraan, licht, verwarming, eten, drinken. Ik leef in luxe en zekerheid. Iets wat de hedendaagse slachtoffers van oorlogen niet kunnen zeggen. 



Vrijheid is geen vanzelfsprekendheid en daarom is het naar mijn mening belangrijk om stil te blijven staan bij de offers die mensen gemaakt hebben en nog maken voor vrijheid. 



We moeten onze kinderen leren dat de wereld groter is dan ons eigen cirkeltje waarin we ronddraaien. Dat de oorlogen elders ook ons aangaan. Dat we onze vrijheid niet cadeau gekregen hebben, dat mensen daarvoor gestorven zijn.

De tweede wereldoorlog, we willen het niet nog eens meemaken. Wij niet, maar laten we niet vergeten dat een paar uur vliegen hier vandaan mensen leven die het nog steeds meemaken.


Vrede is nog lang niet in zicht

Ik herdenk, ik denk

Ik zet het op papier

in de vorm van een gedicht.




Monika Eberhart 














dinsdag 25 april 2017

Pijn, het is gewoon nooit fijn.


Als je elke dag pijn hebt dan is het leven anders dan wanneer je pijnloos de dagen doorkomt. Velen zullen het met mij eens zijn, maar mensen die er geen last van hebben kunnen zich vaak niet voorstellen hoe het is om met pijn te moeten leren leven. 


Er was een tijd, jaren geleden, dat ik moest leven met dagelijkse rugpijn. Elke dag pijn, vooral tijdens het zitten. Als je pijn hebt tijdens het zitten kom je er pas achter hoe vaak je zit en hoe belangrijk zitten is. 
Alleen liggen op de rug met de benen steunend op de zitting van een stoel was ontspannend en heel soms pijnloos.

Wakker worden met pijn en gaan slapen met pijn. Ik had toen nog jonge kinderen die zorg nodig hadden. Heb heel wat tranen gelaten en heel wat keren de arts opgezocht om van de pijn verlost te worden. Fietsen was volgens de dokter de oplossing, gewoon elke dag fietsen en het zou na drie maanden voorbij zijn, maar helaas. 

Allerlei therapieën heb ik gehad. Fysiotherapie, cesartherapie, mensendieck en zelfs de chiropractor heb ik aan mijn rug laten trekken, duwen en rukken.  Niets hielp en de pijn bleef.
Uiteindelijk kwam het op het punt dat ik verlamd raakte en niet meer kon lopen. Toen was de diagnose snel gemaakt en werd ik binnen twee maanden aan mijn hernia geopereerd. Ik bleek dus een rughernia te hebben. 
Meteen na de operatie was ik van mijn pijn verlost! Na zes jaar 24 uur per dag pijn was het voorbij, en oh wat was ik blij. Ik kon alles weer en verheugde me op een leven zonder pijn. Ik kon weer bukken en gewoon zonder pijn mijn veters strikken. Wat een opluchting! en waarom hebben ze me niet jaren eerder geholpen? Nou oké, het verleden is onomkeerbaar dus ik kijk vooruit. Nooit meer pijn, toch?

Een klein jaar na mijn operatie begon ik last te krijgen van mijn rechter arm. Vanaf mijn hand tot mijn schouder.  Ik kon steeds minder met mijn arm doen, alles deed pijn. Op het laatst kon ik niet eens meer een sleutel in een slot omdraaien. Het gevolg was dat ik me ziek moest melden op mijn werk  en op zoek moest naar therapie voor mijn arm, maar vooral voor mijn hand. 
Uit de foto's die van mijn pols gemaakt werden bleek dat er slijtage zit in de pols waardoor er bij overbelasting een ontsteking ontstaat en dat doet pijn. Overbelasting ontstaat al snel, daar hoef je de pols alleen maar voor te gebruiken.
Naar de fysiotherapie voor de hand. Tijdens de therapie bleek dat er bijna geen kracht meer in mijn rechter hand zat. Rust en oefeningen zou de kracht weer terugbrengen. Dat gebeurde ook, maar wel met pijn. 

De pijn in de arm en de schouder bleek te komen door verharding van de spieren ten gevolge van de langdurige hernia. De hele rechterkant van het lichaam was altijd onder spanning geweest om de pijn aan de rug te ontspannen. Anders lopen en anders bewegen heeft de spieren zodanig beïnvloed dat het nooit meer voor 100% zal herstellen.

Nu, jaren later, leef ik weer 24 uur per dag met pijn. Het pijnlijke gevoel zit in de hele rechterkant van mijn lichaam, vanaf mijn oor tot aan mijn kleine teen. Gelukkig is het houdbare pijn en kan ik ermee functioneren. De meeste pijn zit in de rechterarm.

Ik vind de pijn niet ernstig genoeg om er elke dag mee bezig te zijn, of er dagelijks over te klagen, of er überhaupt over te klagen. Ik leef mijn leven, doe mijn werk en houd me bezig met de dingen die leuk vind. Het is te doen.
Ik vergelijk mijn eigen klachten al snel met mensen die het slechter hebben, mensen die echt ziek zijn, mensen die niet meer beter zullen worden. Zolang er mensen zijn die er het slechter hebben dan ik, vind ik al snel dat ik niet het recht heb om te klagen. Het voelt dan als aanstellerij. 

Zoveel mensen die het slechter getroffen hebben dan ik. Al die ouderen met dementie waarmee ik werk, mensen die nare ziektes krijgen zoals ALS, mensen die jong en onverwacht dood gaan, mensen die in oorlog gebieden wonen en elke dag in angst leven. Als ik mezelf daarmee vergelijk dan ben ik rijk. Ik ben gezond (voor zover ik weet) en hoef alleen maar te leren leven met 24 uur per dag houdbare pijn. 

In fysiotherapie geloof ik al lang niet meer, en al die andere vormen van therapie ook niet. Ik probeer mezelf rust te geven als het nodig is en heb mezelf aangeleerd om meer met links te doen en minder met rechts. Pillen tegen de pijn hoef ik ook niet, als je daardoor de pijn niet meer voelt ga je zo'n arm teveel belasten omdat je niet meer weet waar de grens ligt. Ben je nog verder van huis.

Ik ben heel nuchter en wil geen zeur zijn maar toch heb ik soms dagen dat ik mezelf heel zielig vind. Als ik een slok van mijn thee neem en ik merk dat het kopje te zwaar is, als ik op mijn zij lig en ik me van de pijn niet goed om kan draaien, als ik een zware klus moet doen en weet dat ik daarna een week ernstige pijn zal hebben, als mijn vingers tintelen en het me te lang duurt, als ik iets wil tekenen en het lukt niet omdat mijn hand trilt, als ik aan mijn boek aan het schrijven ben en de pijn me dwingt om te stoppen. Dat en vele andere momenten zorgen ervoor dat ik af en toe een traan durf te laten gaan en mezelf zielig mag vinden. 

Maar na regen komt zonneschijn en  dan komt er altijd weer het moment dat ik besef dat zoveel mensen het slechter hebben dan ik. Dan roep ik mezelf tot de orde en ga ik weer verder met mijn leven. Niet klagen, maar dragen. Een pijnlijke arm hoort bij mijn leven.  

En toch........ik kan niet anders concluderen: Elke dag moeten leven met pijn is gewoon niet fijn. 


Monika Eberhart